Piet Helder uit Onna is eeuwige zwerver

Piet/Pierre: ‘Mijn vader wilde graag een eigen boerderij, dat was zijn diepste wens. Voordat hij met mijn moeder trouwde, had hij als melkersknecht in Duitsland het nodige geld verdiend.

Door Liesbeth Hermans

Maar knecht zijn was hem te min, hij wilde omhoog. De pachtboerderij in Onna was een stapje in de goede richting. Voor die tijd best een redelijk bedrijf: een handvol koeien en vijf bunder akker- en bouwland. Mijn vader en moeder werkten hard. Maar dat deed iedereen in die tijd.

Als ik aan Onna denk, dan zie ik de groene weilanden voor me, met al die sloten. Prachtig wat een ruimte. In het voorjaar raapte ik daar handenvol met eieren, ‘s morgens stond ik vroeg op om te gaan vissen. De jongens van school snapten niet hoe ik zo veel vissen kon vangen. Simpel: opstaan als het nog schemert!

Peren bij de buurman

Ook herinner ik me nog goed de lekkere peren bij buurman Zwolle. Heerlijke, sappige peren waren dat. Wij, schooljongens, moesten die peren hebben. Het grootste probleem was de blaffende hond. De jongens van de streek wisten wel hoe je zo’n hond rustig moest houden. Met een stukje worst. En dan gauw, gauw onder het hegje door en rapen maar tot de emmer vol was.

Aan school heb ik geen fijne herinneringen. Zitvlees had ik niet, ik was liever buiten. Als het rekenles was, telde ik de vogels voor het raam. Dat zag de meester wel: “Piet, hoeveel vogels zie je?” en dan zei ik: “Vijf merels en drie mussen, meester.” Daar kreeg ik dan een goedkeurend schouderklopje voor. Nee, school was niks voor mij. Vooral ook vanwege de oorlog. Mijn vader was lid van de NSB. Hij had tien jaar daarvoor als veeverzorger in Duitsland zelf gezien hoe Hitler de economie van Duitsland weer op de rails kreeg. Voor die klus had hij eigenlijk wel bewondering. Nu waren de Duitsers bij ons in Nederland de baas, over een paar jaar was het nieuwe land  in de polder klaar.  Als ze dat gingen verdelen, dan wilde mijn vader daar best een boerderij! Zo ongeveer moet hij gedacht hebben.
Verder dacht hij niet na, ik was de klos. Met de jongens uit het dorp heb ik menig robbertje moeten vechten, omdat ze me uitscholden. Ook de meester was fel anti-Duits.

Tijdelijk verhuizen

Toch was mijn vader geen slechte man. Er waren genoeg onderduikers op de streek en dat wist hij best! Maar hij verraadde niemand, hij hield heus zijn mond. En dat leerde ik van hem. Ik heb bijvoorbeeld het hol van een gedeserteerde Duitse soldaat ontdekt, verderop achter de Stouwe. Zag hem zelfs lopen. Niks gezegd, tegen niemand. Tien jaar was ik en zwijgen kon ik.
Mijn vader moest na de oorlog zijn straf uitzitten in werkkamp Beenderribben in Scheerwolde. De buren van de streek hebben nog een goed woordje voor hem gedaan, zelfs de meester! Vader is dan ook vervroegd vrij gekomen.

In Onna konden we jammer genoeg niet blijven wonen, de pacht liep af in 1950. In het werkkamp had mijn vader een oud-inspecteur van politie uit Steenwijk getroffen, Hendrik van der Berg, ook een NSB-er. Samen met hem kocht hij een boerderijtje in Friesland. Omdat er pacht op zat, was de prijs laag. De pachter had nog een contract voor acht jaar. Zo lang moesten wij dus op onze boerderij wachten.

De sfeer was in Nederland voor ons niet zo positief. Mijn vader kreeg contacten rond Metz, een Duitstalig gebied in Frankrijk. Daar kon hij zó aan de slag. Dus gingen we tijdelijk verhuizen. Naar Frankrijk.

Met de boemeltrein

In 1952 vertrokken we per boemeltrein, ik was zeventien. Tjonge jonge, wat een reis. Die oude wagons, die hadden wel wat, hoor. In de tunnels onderweg was het stikdonker, want er brandde geen licht in de trein. Aan de kant was een pad, je kon zo de ramen open doen en je hoofd naar buiten steken. Ik zag al het mooie vee in het land. Machtig.

De treinreis duurde de hele dag, pas tegen zes uur ‘s avonds arriveerden we in Metz. Boer Groh haalde ons op in de auto, ik had nog nooit in een auto gezeten. In de keuken stond eten voor ons klaar en ik had flinke honger. Toen ik snel begon, waarschuwde mijn vader me, dat er nog meer gangen zouden volgen. Dat kende hij van Duitsland. Wist ik veel, meer gangen eten, dat deden we in Onna niet. De volgende morgen meteen de koeien melken, om half vier al.

Huisraad

Onze huisraad kwam pas maanden later over. Al die tijd hebben we geslapen in ledikanten van de boer. Die had hij voor het werkvolk in voorraad op zolder staan. We hadden geen onkosten voor water, stroom of kachelhout. We betaalden geen woninghuur of belasting. We kregen een stuk moestuin voor de verbouw van groente. Kost en inwoning was gratis.

Nee, de verhuizing naar Frankrijk heeft ons weinig voorbereidingen gekost. Maar ja, we hadden ook geen eisen, hè. We waren overal mee tevreden en we werkten hard. Ik werkte met mijn vader mee. Mijn moeder was in huis en in de moestuin, mijn broertje Johan, vijf jaar jonger dan ik, moest nog naar school.

In 1954 kreeg ik een ernstig verkeersongeluk, waar ik mijn rechterbeen mee verloor. Na een paar maanden ziekenhuis kon ik weer aan het werk bij de koeien. Mijn vader had geen rust in het lijf,  telkens ging hij weer bij een andere boer aan de slag. Op elke boerderij ging het voor de gezinnen van de knechten op dezelfde manier: de man verzorgde het vee en melkte de koeien, de vrouw was voor de schoonmaak en de moestuin. Nergens hield mijn vader het lang uit, maar ja, hij wist natuurlijk best dat zijn eigen bedrijfje in Friesland lonkte. In 1958 beëindigden mijn ouders het Franse avontuur. Ze vertrokken per boemeltrein naar Nijeholtwolde. Ik was 23, ik ging niet mee, het beviel mij best in Frankrijk.

Mijn moeder Marie wist mij naar Friesland terug te lokken, een buurmeisje van vroeger wilde mij graag zien. En tsja, ik trapte erin en nam eens een kijkje. De liefde heeft anderhalf jaar geduurd: mijn vader had weer een goede knecht!

In 1961 trouwde ik met Fransien, een Zeeuwse, die naar Friesland was geëvacueerd na de Watersnoodramp. Ze was ongetrouwd zwanger van een man uit Steenwijk. In het kerkelijk milieu van haar ouders een schande. Ze zetten haar de deur uit. Zo had ik dus een vrouw en een (stief)zoon in één keer. Samen kregen we ook nog een dochter.

Maar op ons huwelijk rustte geen zegen. Te veel spanningen, ik was rusteloos. Onze wegen scheidden zich steeds meer, Frankrijk bleef trekken. Ik ging er vaak met mijn brommertje naar op reis. Er was daar voor mij altijd werk: als melkersknecht, als veeverzorger of als hulp bij het veetransport.

Ik vond een nieuwe vrouw, Jannie, en met haar en haar twee dochters vertrok ik in mei 1980 definitief naar het zuiden. Onze spullen pasten in een VW-busje. De douane keek er nauwelijks naar om, we gingen min of meer op de bonnefooi naar een vakantiehuisje. 

Mijn broer, mijn moeder, mijn dochter, zij bleven wonen in het noorden van Nederland. Ik vertrok naar Frankrijk. Daar was voor mij nog steeds genoeg werk. Het platteland  liep leeg, de jeugd trok naar de stad.

In de kranten snuffelde ik naar advertenties: “Man gevraagd voor de moestuin, vrouw enige uren in de huishouding. Woning gratis.” Werk zat. Nieuw voor mij was de wijnoogst. Zwaar werk is dat, zelfs nu nog. Als je in de ochtend plukt, is het nog niet zo warm, maar de druivenbladeren zijn dan nog vochtig van de dauw. Je wordt dus kletsnat aan de voeten en loopt de hele ochtend in een regenbroek.

Van boer naar boer

Met mijn gezin trok ik van boer naar boer. Het duurde wel wat jaren voor we ons gesetteld hadden. Mijn twee stiefdochters deden het gelukkig goed. Ze leerden het Frans heel vlug.
In Pajot heb ik mijn rust gevonden, hier woon ik nu het langst van heel mijn leven.

Fransen hebben het altijd over “la famille”, nou, die woont niet bij mij. Jannie leeft enige kilometers verderop en we zien elkaar nog geregeld, maar ik woon alleen. Natuurlijk had ik dat liever anders gezien, maar ja, het is zoals het is. Als je wilt emigreren moet je tegen een stootje kunnen. Hard werken, aanpakken, doorzetten. Teleurstellingen horen er bij.

Ik ben een vrijbuiter, een zigeuner. Op mijn brommertje cross ik rond, overal bij de Nederlanders in de omgeving maak ik een praatje en breng ik eieren. Het Frans is nog steeds niet mijn eigen taal, maar ik red me er mee.

Terug naar Onna

In 2015 ben ik nog eens terug geweest op mijn geboorteplek, in Onna. Een paar buurmensen van vroeger kenden mij nog en ze ontvingen me hartelijk. Maar verder herkende ik het haast niet.
Er is zoveel veranderd. En de jongens van vroeger, waar ik mee speelde, ze zijn verdwenen…

Nee, een band met Onna heb ik niet meer en Nederland vind ik ontzettend druk geworden. Al die huizen in die steden, al dat drukke verkeer op die vierbaans autowegen, het raast maar door. Die mensen hebben toch helemaal geen contact meer met de natuur? Voor mij zijn ze dood, die stadsmensen. Wat een gestress!  Ik ben zelf altijd een zigeuner geweest en nog hoor ik nergens bij. Maar geef mij nu maar de rust van Pajot. Hier heb ik een leven als God in Frankrijk: ik ben veel buiten en het is altijd mooi weer. Ik heb weinig zorgen. Wat gedaan moet worden, dat doe ik. De kippen willen voer en het gras groeit door. En het moet gemaaid. Het werk moet klaar!