D.S.E. de Vries. 

Hoe een Amsterdamse onderwijzer de harten van Steenwijker scholieren stal

D.S.E. de Vries.  René Wiegmink

STEENWIJK – Wie het in de tweede helft van de vorige eeuw had over de RSG in Steenwijk én over D.S.E., kon het maar over één persoon hebben. D.S.E. stond voor een enkeling voor Dikke Stomme Ezel, maar voor het leeuwendeel van de leerlingen voor meneer De Vries, Dirk de Vries.

„Officieel is het Dirk Sierd Eise de Vries. Mijn vader was een echte Fries, mijn moeder een echte Amsterdamse. Ik was hun eerste zoon”. De in Amsterdam geboren De Vries was gedurende een lange reeks van jaren de meest populaire leerkracht van de school aan de Lijsterbesstraat in Steenwijk. „Het woordje populair vind ik altijd wat vervelend”, zegt hij zelf. „Geliefd, favoriet, gewild, hoe moet je dat noemen. Ik lag goed bij de leerlingen, klopt, maar ik was ook erg op de leerlingen gesteld. Wij kwamen hier in 1969, ruim vijftig jaar geleden. En nee: we hebben er nooit spijt van gehad”.

„Mijn in 1890 geboren vader was in de Eerste Wereldoorlog vier jaar aan het front in Brabant om de Belgen binnen te laten. Zijn beroep was timmerman-meubelmaker. In de jaren na WOI trok hij naar Amsterdam om als zodanig te werken omdat alles in Friesland helemaal op zijn gat lag. In Amsterdam werd heel veel gebouwd; de Pijp was net klaar, toen ging Amsterdam Nieuw-Zuid gebouwd worden. Daar ging hij aan de slag. In Amsterdam haalde mijn vader tussentijds allerlei vakdiploma’s: houtbewerking, leerbewerking, metaalbewerking. Daar ontmoette hij mijn moeder. Hij was vijftien jaar ouder maar dat maakte niks uit. Hij maakte de switch van de bouw naar het onderwijs. Dankzij zijn diploma’s kon hij leraar handenarbeid worden. Dat heeft hij volgehouden tot zijn 65e, ongelooflijk. We woonden aan het Zuideramstelkanaal, aan de overkant was de buurt van de Amsterdamse school. Daar waren veel panden met beeldhouwwerk van (de van oorsprong Steenwijker kunstenaar) Hildo Krop… Ik ben in 1936 geboren met Hildo Krop voor de deur. En op mijn 32e kom ik te wonen in zijn geboortestad. Wonderbaarlijk toch?”

Kweekschool

„Na de Mulo had ik naar de Zeevaartschool gewild maar ik heb een bril. Dat ging dus niet door. De gemeentelijke kweekschool werd het, een prachtig oud gebouw aan de Nieuwe Prinsengracht. Daar zat ik op school in dezelfde klas samen met Eric Herfst, Aart Staartjes, Ben Roholt, al die gasten die nooit in het onderwijs terecht gekomen zijn. Dat waren wonderlijke gasten, gossiemijne. Aart Staartjes, vorig jaar overleden, Erik Herfst is al tientallen jaren geleden heel vroeg overleden. Ontzettend aardige jongen, was getrouwd met Jasperina de Jong, en wij gingen naar hun cabaretjes, ergens op een zoldertje, midden in het centrum. Nee, ik heb nooit de behoefte gehad om mee te doen. Dus de kweekschool gedaan, dat duurde toen nog vijf jaar. Twee jaar voor onderwijzer, daarna nog een jaar voor hoofdonderwijzer. Mooi woord, hoofdonderwijzer. Na de uitgestelde militaire dienst kon ik terecht op een school in de Amsterdamse Watersgraafsmeer. Niet ver van het oude Ajax-stadion, prima school was dat, middenstandsbuurt, winkeliers, ambtenaren, politiemensen, dat soort lieden woonden er, was een beetje een dorp”.

„We zijn getrouwd in 1961, ik kende mijn vrouw van de middelbare school. Zij is geboren in Argentinië, net als Máxima, haar vader was bij de Shell. Toenmalig huisarts Nico Daum en zijn vrouw uit Steenwijk waren vrienden van ons. Eens in een kerstvakantie logeerden wij bij hen. Hun dochter kwam op kerstavond naar me toe hollen en ze riep: ‘Goed luisteren, oom Dick: God met de toeters is op de kerk’. Dat was Crescendo, God met de toeters. Dát was het moment waarop ik dacht: hier zou ik wel willen wonen en werken. Dat was zo’n prachtig plaatje: sneeuw, windstil, heldere avond en je hoorde die muziek. Dat moet 1964, 1965 zijn geweest. Ik ben hier in 1969 naar Steenwijk gekomen”.

Wonderbaarlijk mooie plek 

„1969: we wonen hier dus ruim vijftig jaar. Waar blijft de tijd? Waar blijven al die jaren? Ik heb er nooit spijt van gehad. Ik heb in die beginjaren wel gezegd: als ik later stop met werken ga ik terug naar Amsterdam. Dat was gauw over hoor. Wat een wonderbaarlijk mooie plek is dit hier toch. En natuurlijk: Amsterdam is Amsterdam niet meer. Daar komt bij: de RSG werd wel een beetje mijn school in de loop der jaren. Ik heb hier 29 jaar gezeten, al vond ik het op het eind wel erg veel papierwerk, het contact met de kinderen werd steeds minder. Ik ben in 1998 vertrokken. Toen ik in ’69 kwam was het een kleine zelfstandige mavo met 200 leerlingen. De Capelleschool is later gefuseerd met de LTS en dáár fuseerden wij weer mee. Toen werd het wel erg groot hoor. We hadden jaren van 1300-1400 leerlingen. Het was de tijd na de komst van de Mammoetwet. Een van de dingen van die wet, naast mavo en havo, was dat er ook schooldecanen moesten komen. Niemand wist wat dat was. Conrector Overmars kwam naar mij toe: is wel wat voor jou Dirk. Ik was een van de jongsten -Jan Hoeve was de jongste. Twee jaar voor op cursus in Zwolle geweest. Dat schooldecanaat was bedoeld om jonge mensen te helpen kiezen met een richting na die school. Ik kreeg daar vijf, zes uur per week voor. Dat moest van de grond worden opgebouwd, er was niks. Ik kreeg een eigen hokje in de houten noodlokalen. Dat was een ander contact met de leerlingen dan het lesgeven, alhoewel ik het lesgeven ook altijd heel leuk gevonden heb. Eind jaren zeventig werd de conrector van de brugklassen ziek, hij overleed, en na sollicitatie werd ik conrector. Ik heb daar ook nooit spijt van gehad. Ik kreeg de brugklassen en de onderbouw vwo. Die brugklassen waren voor mij prima, want ik kwam uit het basisonderwijs. Jan Hoeve werd mijn rechterhand. Overmars was (onder rector Nieboer) plaatsvervangend rector, dat was daarvoor meneer Van Heijningen. Toen Overmars plots zomaar op een middag thuis overleed, was ik de oudste conrector en werd ik plaatsvervangend rector”.

„Deze streek was in de jaren dat ik hier begon, nog een streek van mensen die nog een beetje gezag voor een leerkracht hadden. Als er eens wat was met een leerling, en ze kwamen daarover praten, werden we het bijna altijd eens. Er stond vrijwel nooit een vader of een moeder op de stoep te schreeuwen. Dat lag in Amsterdam wel anders hoor. Ja, Steenwijk is een goede stap geweest”.

Het levensveranderende ongeluk

In 2016 kreeg het leven van het echtpaar De Vries een dramatische wending. „We zijn platgereden door een motorrijder”, is de ultrakorte versie van de gebeurtenis, aldus Dick de Vries, „maar we hebben het overleefd”.

„We waren naar Elburg geweest, een prachtige middag in september, via Zalk en dan naar beneden. Prima, leuk. In Elburg wat rondgelopen, toen maar weer terug, weer over Zalk. Dan kruis je een N-weg tussen Kampen en Oldebroek, een voorrangsweg. Prachtig weer, helder zicht. Ik zag rechts niks, en links een auto in de verte. Daarnaast was nog een los lichtje. Dat was van een motorrijder. Wij staken over en einde verhaal. Hij (de motorrijder) pakte ons op het achterwiel. Ik heb er niks van meegekregen. Ik heb een week in het ziekenhuis gelegen, borstbeen kapot en wat ribben, de gordel en de airbags hebben me gered, maar het voelt alsof je tegen een muur aan klapt, met die gordel. Mijn vrouw had gelukkig heel weinig, wat blauwe plekken en kneuzingen. De politie kwam een dag of tien later toen ik weer thuis was. Het eerste wat ze zeiden was: je hoeft je rijbewijs niet in te leveren. Ik zei: maar ik stak een voorrangsweg over. De politieman zei: maar iemand die meer dan 200 km rijdt op een 80 km-weg, kun je niet inschatten. Wij hoorden in de ambulance al dat die jongen zich doodgereden had tegen onze auto. Toen de politie kwam aanrijden, zeiden ze tegen elkaar: daar zitten twee doden in. Zelfs de trekhaak zat los. Een verschrikkelijke, bizarre ervaring. Dat borstbeen en die ribben hebben mijn longen beschadigd. Ik heb best wat gerookt in mijn leven maar ik had in een klap COPD2. Dus ik moet sindsdien gewoon heel erg rustig aan doen. Niet meer roken, nee. Ik lees veel, houd de krant bij, maar wat we graag en veel deden was fietsen en stukken lopen, de Eese van links naar rechts en van noord naar zuid doorkruist. Ik probeer nu per dag toch minimaal een kilometer te lopen, dat lukt mij wel, maar ’s middags taai ik wel een beetje af hoor. Ik heb een stok, die ligt in de auto, die heb ik meer voor mijn veiligheid”.

 

George Huisman