Meerkoet | Column Natuur om de hoek

De meerkoet. Foto: Pixabay

Na het afronden van mijn biologiestudie in 1983 lag het aantal banen voor biologen niet voor het oprapen. Er was toentertijd helaas meer aanbod dan vraag en ik kon toen geen geschikte baan vinden.

Om mijn opgedane kennis toch ten goede te laten komen mocht ik bij het Instituut voor Oecologisch Onderzoek (IOO) op vrijwillige basis een half jaar onderzoek doen aan het voedselzoekgedrag bij meerkoeten.

Het IOO was in Heteren gevestigd, waar ze toen voornamelijk ecologisch onderzoek deden naar koolmezen, meerkoeten en weegbree. Tevens was in het pand het vogeltrekstation gevestigd. Dit vogeltrekstation regelt officieel het ringen van in de vrije natuur levende vogels in Nederland. Tegenwoordig zit dit instituut in Wageningen en is de naam gewijzigd in Nederlands Instituut voor Ecologie (NIOO-KNAW).

Veel voorkomende vogel

De meerkoet is een algemeen in Nederland voorkomende vogel. De schatting van het aantal broedparen ligt boven de 100.000 broedparen. In de winter is het aantal exemplaren zelfs nog hoger, onze standvogels krijgen dan hun soortgenoten uit de noordoostelijke delen van Europa op bezoek. Het aantal kan dan oplopen tot tegen de 400.000 exemplaren. Het is bekend dat er dan op het Veluwemeer en het Markermeer concentraties van tienduizenden vogels kunnen voorkomen. Zij doen zich hier te goed aan waterplanten. Dat de meerkoet veel voorkomt, wil overigens nog niet zeggen dat je hem overal kunt tegenkomen. Zo zul je hem op bijvoorbeeld de Hoge Veluwe nauwelijks tegenkomen. In het algemeen geldt, is er water in de buurt, dan is de kans dat je hem tegenkomt groot.

Het uiterlijk van een meerkoet is vrij simpel. Een zwarte watervogel ter grootte van een krielkip met op de snavel een opvallende witte bles. Mocht je zijn tenen kunnen zien, die wijken af van de meeste (water)vogels. Ze hebben geen zwemvliezen tussen de tenen, zoals eenden die hebben, maar elke teen is bezet met drie paar zwemlobben. Bij een voorwaartse beweging van de poot buigen die zwemlobben naar achteren, zodat de weerstand in het water lager is, terwijl bij een achterwaartse beweging die zwemlobben naar buiten klappen en zo extra weerstand geven.

Dol op zoetwatermosselen

Terug naar mijn onderzoek bij het IOO. Hoewel meerkoeten bekend staan als vegetariërs (vooral waterplanten en gras), is dat niet geheel juist. Zo staan tijdens het broedseizoen slakken, visjes en ander dierlijk materiaal eveneens op het menu. Vooral de jongen hebben dan behoefte aan extra eiwitten. Daarnaast zijn meerkoeten dol op zoetwatermosselen. Die duiken ze dan op, door met een klein sprongetje onder water te duiken. Door de relatief grote hoeveelheid lucht in hun verenkleed moeten ze moeite doen om onder water te komen.

Mijn onderzoek had te maken met welke inspanning een meerkoet wil verrichten om die zoetwatermosselen te bemachtigen. Immers, zij moeten wel extra moeite doen om aan die lekkernij te komen, vooral omdat die redelijk diep onder water kunnen liggen. Voor het onderzoek had ik in het midden van een diepe vijver een speciale kooi gebouwd, bestaande uit een rustgedeelte net boven het wateroppervlak en daarnaast een duikgedeelte. Van dit duikgedeelte kon ik de bodem op elke gewenste diepte laten zakken. Naast de vijver stond een schuilhut, waar vanuit ik het gedrag van de meerkoet kon registreren met behulp van een eventrecorder. Dat apparaat is een soort toetsenbord dat verbonden is met een computer en waarbij elke toets een bepaald gedrag betekende. Zodra de meerkoet een ander gedrag vertoonde, drukte ik een andere toets in.

Onderzoek

De duur en het soort gedrag werd op deze manier automatisch vastgelegd. Op de bodem van het duikgedeelte legde ik vervolgens zoetwatermosselen en in het rustgedeelte bood ik tegelijkertijd een ander soort voedsel aan. Was dat ander voedsel een plag met verse gras, dan dook de meerkoet bij voorkeur naar zoetwatermosselen, ongeacht de diepte waarop ze lagen. Lagen er echter (energierijke) kippenkorrels in een voerbakje, dan vertoonde de meerkoet veel minder duikgedrag. Vooral naarmate de zoetwatermosselen dieper onder het wateroppervlak lagen.

Paul Mentink (paul@paulmentink.nl)