Gewone grootoorvleermuis.

Onderzoekers durven vleermuizen in Drenthe niet te tellen. Ze zijn bang de beesten te besmetten met corona

Gewone grootoorvleermuis. Johann Prescher

De Drentse vleermuiskolonies worden dit jaar niet geteld. De reden? Corona. Want de tellers zijn niet alleen beducht elkaar te besmetten met het virus, maar ook de vleermuizen zelf.

De vleermuizen uit het Chinese Wuhan zouden het coronavirus op de mens hebben overgebracht, en daarmee aan het begin hebben gestaan van de wereldwijde pandemie. Dat de Nederlandse vleermuis ook besmettelijk zou kunnen zijn? Daar zijn de vrijwillige tellers niet bang voor. De angst is vooral zélf het coronavirus over te brengen op de vleermuizen.

Want het coronavirus zou de vleermuispopulaties in Nederland in gevaar brengen. Op dit moment is het virus nog niet aangetroffen in de beestjes, stelt de Zoogdiervereniging. Ze wil vooral alle risico’s uitsluiten: ,,We weten niet of ‘onze’ soorten vleermuizen gevoelig of kwetsbaar zijn voor het SARS-CoV-2 virus. Daarom moeten we als vleermuiswerkers onze verantwoordelijkheid nemen en ervoor zorgen dat er geen overdracht van mens-naar-vleermuis kan plaatsvinden.”

Vleermuis-zoldertellingen

Mocht het coronavirus de vleermuispopulatie bereiken, dan heeft dat gevolgen voor de populaties én voor het draagvlak voor bescherming: ,,Om die reden hebben we eerder dit jaar ook maatregelen genomen in de vorm van aangescherpte richtlijnen voor de vleermuis-zoldertellingen en sterke beperkingen voor het vangen en hanteren van vleermuizen”, vervolgt de Zoogdiervereniging.

Reinier Meijer, provinciaal coördinator Vleermuiswerkgroep Drenthe, vindt dit wel erg voorzichtig. „Het virus is aangetroffen bij een Chinese hoefijzerneusvleermuis ( Rhinolophus affinis , er is geen Nederlandse naam voor die soort). Maar er zijn 1400 vleermuissoorten in de wereld die zeer verschillend zijn. In Nederland zijn verwanten van de hoefijzerneus uitgestorven. Hier komen alleen gladneusvleermuizen voor, dat is een heel andere groep.”

Maar vleermuizen zijn wel kwetsbaar. De vrouwtjes krijgen maar één jong per jaar en slechts 15 procent van de jongen overleeft het eerste jaar. De dieren kunnen een ziekte er dus echt niet bij hebben.

Slecht imago

Het imago van de vleermuis is altijd negatief geweest. De angst voor het diertje komt mogelijk omdat mensen de vleermuis het vaakst zien als een zwarte schim in de schemering. Bovendien spelen vleermuizen een rol in griezelverhalen. Onterecht zijn vleermuizen daarom altijd geassocieerd met iets engs.

Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) bracht eind december het nieuws naar buiten dat na een periode van sterke achteruitgang tot halverwege de vorige eeuw, de meeste vleermuizen in Nederland weer in de lift zitten.

Meijer nuanceert dat: ,,„Door het gebruik van landbouwgif in de jaren vijftig en zestig nam het aantal vleermuizen enorm af. Er is momenteel wel enig herstel bij enkele soorten maar het is erg onvoorzichtig om te spreken over een ‘vervijfvoudiging’ zoals het CBS doet. Het gaat met sommige soorten minder slecht, dat wel. Als je 11 van de tenminste 22 soorten in Nederland kunt beoordelen en met 7 daarvan gaat het goed, kun je naar mijn smaak niet van ‘in de lift’ of ‘herstel’ van vleermuizen spreken.”

Tellingen

De vleermuispopulatie wordt op verschillende manieren geteld. Door speciale bureaus, die worden ingehuurd door woningbouwverenigingen, overheden of projectonwikkelaars; maar ook door burgers en vrijwiligers. Zij kunnen tussen mei en augustus meetellen via vleermuis.net.

In de winterperiode slaan vrijwilligers van de Zoogdiervereniging en onder anderen boswachters aan het tellen in bunkers, grotten en kelders. Maar dat doen ze deze winter dus niet. Ook de leden van de Vleermuiswerkgroep Drenthe laten de bijna zestig winterverblijven dit jaar ongeteld.

Meijer: „De Zoogdiervereniging is bezorgd over de winterverblijven. Deze zijn vaak krap en vochtig. Het is dan moeilijk om anderhalve meter afstand te houden. Bovendien gaat het om ruimten met een hoge luchtvochtigheid, waarin mondkapjes sneller verzadigd raken en daardoor minder goed werken.”