Arjan Bosschaart is tegenwoordig trainer van MSC JO19-1.

‘Toppers van Toen’: profvoetballer Arjan Bosschaart sloeg ooit met FC Zwolle de weg omhoog in

Arjan Bosschaart is tegenwoordig trainer van MSC JO19-1. Leo de Harder

Meppel - In deze ‘sportluwe’ periode staan we wekelijks stil bij de ‘Toppers van Toen’. Het gaat daarbij om succesvolle, aansprekende en bekende sporters uit de regio Zuidwest-Drenthe en Noordwest-Overijssel. Hoe kijken ze terug op hun actieve sportcarrière? Vandaag deel 12: voetballer en trainer Arjan Bosschaart (49) uit Meppel.

Begonnen bij DRL in Rotterdam, in de jeugd gespeeld bij Sparta Rotterdam en prof geworden bij FC Zwolle, waarvoor je van 1996 tot 2004 uitkwam. Het klassieke jochie-wordt-prof-verhaal. Hoe zie jij dat?

„Ik wilde vroeger inderdaad mijn droom volgen en dat was profvoetballer worden. Dat zat in mijn karakter. Alles moest daarvoor wijken, al dacht ik ook weleens van: het is onbereikbaar. Ik speelde bij DRL in Rotterdam, een volksclub. Er was interesse van Sparta, Excelsior en ook Feyenoord. Dat laatste is wel bijzonder, want ik ben zo’n beetje naast De Kuip geboren. Tegelijkertijd vroeg ik mij ook af van: is het profvoetbal wat voor mij? Dus ik zette die stap toen nog niet en bleef bij DRL. Ik was een jaar of vijftien toen ik debuteerde in het eerste elftal. Dat ging eigenlijk heel erg goed, en ik werd vervolgens uitgenodigd door Excelsior. Die club wilde mij echt hebben en ik sprak met de toenmalige trainer Sándor Popovics en directeur Simon Kelder. Ik moest twee testwedstrijden spelen, waarin ik goed voor de dag kwam en tevens scoorde. Sparta zat toen ook op de tribune en toonde eveneens interesse. Na een bezoek aan ‘Het Kasteel’ en een gesprek met mijn vader koos ik uiteindelijk voor Rotterdam-West. Voor Sparta dus. Al vrij snel ontstonden er echter knieproblemen. Ik scheurde mijn binnenmeniscus. Die werd gehecht, omdat ze mij nog te jong vonden om de meniscus eruit te halen. Dat koste mij een halfjaar. Vervolgens scheurde ik de meniscus op een andere plek, wat ook gevolgen had voor mijn kruisband. Zo kwam ik dus aan een instabiele knie, ik ben in die tijd drie keer geopereerd en heb twee jaar blessureleed gekend. Ik kon blijven, maar ik dacht alleen maar van: ik stop ermee en ga terug naar DRL. Ik trainde mezelf en ging in de tweede klasse zondag spelen. Dat ging naar behoren en daarna kon ik ook naar hoofdklassers, maar dat hoefde voor mij niet zo. Totdat we een keer tegen DCV uit Krimpen aan den IJssel speelden, daarvan was Jan Everse de trainer. Hij zou naar FC Zwolle gaan en vroeg mij of ik met hem mee wilde. Zwolle? Noem het typisch het arrogante Westen, maar ik moest echt eerst opzoeken waar het lag. Utrecht, Amersfoort en o ja: daar had je Zwolle. Eind weg hoor, ha, ha.”

 

Uiteindelijk heb je je weg letterlijk gevonden in Zwolle. Je werd fullprof, speelde er acht jaar en kende als hoogtepunt het kampioenschap in 2002. Zie jij dat ook zo?

„Ja, ik kijk terug op een heel mooie tijd bij FC Zwolle, met inderdaad die titel als hoogtepunt. Dat had ook te maken met het feit dat Zwolle, voordat ik daar kwam, eigenlijk altijd laag eindigde in de eerste divisie. Daarna sloegen we de weg omhoog in. Ieder seizoen nacompetitie, maar ook iedere keer geen promotie. In het seizoen 1999-2000 werd NAC kampioen, wij tweede en FC Groningen derde. We speelden verreweg het beste voetbal, maar die andere twee clubs promoveerden. De titel in 2002, behaald in een wedstrijd tegen Excelsior, was het resultaat van die opmars. Het was eindelijk gelukt. We hadden ook een mooi team met een mix van westerlingen. Zoals Remco Schol, Johan van der Werff en Marcel Boudesteyn, mijn maatje, en ik. En daarnaast jongens uit de regio, zoals Arne Slot, de broertjes Roelofsen en Albert van der Haar. Ik heb een heel mooie tijd gehad bij Zwolle. Ik moest het echt van mijn snelheid hebben, was iemand van de assist en scoorde regelmatig. Gek genoeg was ik op mijn best als ik wat boos en geprikkeld was. Dan voetbalde ik wat meer op mijn gevoel. Uiteindelijk heb ik meer dan tweehonderd wedstrijden voor Zwolle gespeeld en daarmee sta ik in de top tien van spelers met de meest gespeelde duels voor die club. In totaal zes seizoenen in de eerste divisie en twee jaar in de eredivisie, al speelde ik in dat laatste seizoen al bijna niet meer vanwege mijn knie. Ik had roofbouw gepleegd en moest ook altijd rekening met die knie houden. Dat betekende iedere zomer doortrainen en vooral in de voorbereiding af en toe een training overslaan. Het was inmiddels 2004, we waren gedegradeerd en ik was 33 jaar. Ik had helemaal geen zin meer om, als rechtsbuiten in de eerste divisie, in Haarlem voor 1000 man te gaan spelen. In die tijd werd ik ook vader. Bovendien was ik gevraagd door Marcel om bij zijn bedrijf financieel adviseur te worden. Het was de tijd om na te gaan denken over mijn toekomst, dus ik stopte.”

 

Om vervolgens het trainersvak in te gaan. Je hebt in al die jaren niet alleen zo’n veertig, vijftig spelers van nabij meegemaakt, maar ook een groot aantal trainers. Heb je van iedereen wat opgepikt en heeft jou dat gemaakt tot de trainer die je nu bent?

„Jan Everse had vertrouwen in mij door mij mee te nemen naar Zwolle en daardoor heb ik wel een zwak voor hem. Net als voor Dwight Lodeweges. Allebei tactisch zeer goede trainers. Everse kon mij inderdaad prikkelen en Lodeweges was iemand die, als je niet zo goed in je vel zat, even naar je toeliep, niets zei en je speels in de nek kneep om zo te laten zien van ‘ik geloof in je’. Maar ik heb ook trainers gehad, bij wie ik het idee had dat ik stilstond in mijn ontwikkeling en echt geen plezier meer had. We werden kampioen met Paul Krabbe - een heel lieve vent en hij zou mijn schoonvader mogen zijn - maar als het ging om het echte voetbal was hij niet heel sterk. Tijdens de training deden wij een keer een afwerkvorm, die helemaal niet liep. Toen Krabbe een bal uit de bosjes ging halen, zetten wij als spelers zélf de oefening om, waarna het wel goed ging. Peter Boeve had dan weer wél goede trainingsvormen, maar was bepaald niet altijd even straight .”

 

Jij gaat straks je derde seizoen in bij MSC ‘onder 19’. Hoe zie je jouw trainersloopbaan verder voor je? Keer je, na een kortstondig avontuur met Boudesteyn bij d’Olde Veste’54 in 2014, ooit nog terug in het seniorenvoetbal?

„Toen ik gestopt was, heb ik een jaar of vier niets gedaan. Daarna ging mijn zoontje bij MSC spelen en ging ik het trainersvak in. Bij de ‘Onder 19-1’ hebben we een mooie en talentvolle groep, die je aan het opleiden bent voor het eerste elftal. Het zou mooi zijn als de jongens binnenboord blijven, om MSC naar een hoger niveau te tillen. Ik zat ook in de commissie die zich bezighield met de toekomst van het prestatievoetbal bij MSC. Het zondagvoetbal is een aflopende zaak, dit is voor MSC een juiste keuze gebleken. Na volgend jaar stop ik met het jeugdvoetbal, want dan heb ik alles wel meegemaakt en ga ik daarna eens verder kijken. Wat weet ik nog niet. Ik ben niet zo’n carrièreplanner.”

 

Erik Riemens