Jan Vogel uit Vledder toont zijn Elfstedenkruisjes, als bewijs dat hij in de jaren tachtig twee keer de Elfstedentocht heeft gereden.

Jan Vogel uit Vledder schaatste twee Elfstedentochten op houten noren: 'Een marathon is veel zwaarder'

Jan Vogel uit Vledder toont zijn Elfstedenkruisjes, als bewijs dat hij in de jaren tachtig twee keer de Elfstedentocht heeft gereden. Foto: Martijn Bijzitter

Op de dag van mijn bezoek ligt er in de tuin van Jan en Phia nog een dikke laag sneeuw en vriest het nog dat het kraakt. Als vanzelf denkt Jan bij dit winterweer terug aan de Elfstedentochten van 1985 en 1986.

Voordat hij begint met het ophalen van herinneringen, rommelt hij eerst in een lade. „Kijk, dit zijn de twee Elfstedenkruisjes.” Voorzichtig haalt hij het eremetaal uit de plastic hoesjes. De kruisjes zijn slechts 2,5 bij 2,5 centimeter groot, kleiner zelfs dan een wandelvierdaagsemedaille.

Als kind leerde Jan schaatsen op het Lonnekermeer, vlak bij Hengelo, waar hij opgroeide. De eerste langere tocht reed hij eind jaren veertig met zijn zus over het Twentekanaal. „Ik heb het ‘schaatsbloed’ geërfd van mijn Friese oerbeppe. Nog voordat de Elfstedentocht bestond, reed zij langs alle elf Friese steden en haalde in cafés als bewijs daarvoor handtekeningen op.”

Biologieleraar

De decennia daarna kijkt Jan niet meer om naar zijn schaatsen. Pas in 1985 bindt hij zijn ijzers weer onder, als begeleider van leerlingen tijdens de Vijfdorpentocht. Jan is dan biologieleraar op een middelbare school in Den Helder. Het blijft vriezen en samen met drie maten schaatst hij daarna met gemak de Noord-Hollandtoer van 80 kilometer. Zijn goede conditie dankt hij aan de vele halve marathons die hij heeft gelopen. Hij besluit daarop om ook mee te doen aan de Elfstedentocht. De vrouw van zijn vriend Bram staat een hele dag in Alkmaar in de rij, om beide mannen daarvoor in te schrijven. „Toen móest ik wel!”

Zeemleren broek

Jan en Bram logeren de nacht voor de Elfstedentocht van 1985 bij een achterachterneef van Jan. Hij trakteert de mannen op warme Brintapap, als ontbijt. Jan trekt de zeemleren broek aan die zijn vrouw voor hem heeft gemaakt. Zijn borst beschermt hij met kranten. Schaatsen op noren kan hij niet, daarom draagt hij stevige hoge schoenen (kistjes), waaronder hij de lage houten noren met riempjes vastmaakt. Pas om half negen, als het al licht is, mogen Jan en Bram vanaf de Bonkervaart met hun Elfstedentocht beginnen. „We hadden een startnummer in de 16.000”, verklaart Jan.

Tot aan Sloten is het ijs goed maar bij Balk, op het riviertje De Luts, krijgen ze het zwaar. „We moesten daar over bewegende schotsen rijden. En daarna richting Stavoren hadden we flinke tegenwind.” Omdat bij de editie in 1985 de temperatuur snel stijgt, komt er water op het ijs en krijgt Jan kletsnatte voeten. „Ik heb in Stavoren droge sokken aangetrokken, maar die waren in Bolsward al weer nat.” Dat Jan geen moderne noren met leren schoenen heeft, vindt hij desondanks niet erg. „Het heeft ook voordelen, want klunen ging veel sneller. Ik hoefde alleen maar de riempjes los te maken en kon gewoon op mijn schoenen weer naar het ijs lopen.”

‘Treintje’

Eten doet Jan onderweg helemaal niet. Hij drinkt alleen drie keer iets: chocolademelk, thee en koud zout water. Bram kan Jan daarna niet meer bijhouden. „Rij maar door”, roept hij tegen zijn maat. In Witmarsum hoort Jan van Brams vrouw Netty, dat zijn maat is afgestapt. Op weg naar Harlingen haakt Jan aan bij een ‘treintje’ met schaatsers die nummers in de 18.000 dragen. Zij liggen op schema voor de finish in Leeuwarden.

Met de wind pal in de rug komt hij in Franeker aan. Het is dan al donker. Als hij daar onder een bruggetje door rijdt, wordt hij verblind door de felle lampen van een cameraploeg die televisieopnames maakt. „Ik heb toen speciaal mijn muts afgenomen en een dweilorkest gedirigeerd, maar heb mezelf later helaas niet teruggezien op televisie.” Voorbij Bartlehiem is het pikkedonker en klapt Jan keihard op het ijs als hij in een spleet rijdt. Zijn ene hielriempje is kapot. Al steppend bereikt hij toch nog Dokkum, waar hij met zijn meegenomen schroevendraaier een reserveriempje monteert.

„Ik heb toen onderweg wel even tegen mijn ijskoude teentjes gepraat: volhouden, we rijden door.” Vlak voor Dokkum hoort Jan vanaf de kant roepen: „Opschieten, Dokkum gaat dicht.” Gelukkig is hij nog op tijd en mag hij het laatste stuk naar Leeuwarden afmaken. Om 22.30 uur komt hij op de Bonkervaart over de finish. Niet euforisch, maar juist bezorgd: „Hoe kom ik ooit thuis, was mijn eerste gedachte.” Met zijn inmiddels zwart geworden tenen, lukt het hem toch nog om zijn auto te bereiken. Op de terugweg naar Den Helder richt hij de warmteblazer op de hoogste stand op zijn voeten.

Van Buren

Aan de Elfstedentocht van 1986 heeft Jan veel minder herinneringen. „Het was grauwer en kouder. Met meer wind, maar het ijs was beter.” In de bus naar de markthallen zit Jan naast ene meneer Visser uit Den Helder, een marinier die prins Willem-Alexander, alias Van Buren, onopvallend begeleide. Omdat Jan in de week voorafgaand aan de monsterrit griep heeft gehad, valt het schaatsen hem ditmaal zwaar. Het lukt hem echter toch nog om een halfuur voor sluitingstijd te finishen. Bram is net een kwartier te laat om voor een Elfstedenkruisje in aanmerking te komen. Dat jaar blijven de mannen wél slapen bij Jans achterachterneef.

De volgende dag voelt Jan zich weer fit en loopt hij zelfs nog een halve marathon in Friesland. Lachend zegt hij: „De Elfstedentocht is zwaar, maar een marathon is nog veel zwaarder.”

Naar Frankrijk

Vlak voor de Elfstedentocht in 1997 zegt Jan zijn lidmaatschap van de Friese Elfsteden op. „’s Nachts lag hij te woelen en te draaien in zijn bed, omdat hij bang was dat hij hem weer moest rijden”, herinnert Phia zich. Dat jaar verhuist het echtpaar voor een langere periode naar Frankrijk. Na dertien jaar willen zij ongeopende verhuisdozen wegdoen. „Gelukkig keken we toch nog even in een doos, want daar zaten de Elfstedenkruisjes in”, zegt Jan.

Op mijn laatste vraag of er dit jaar - als dat nog mogelijk zou zijn - een Elfstedenwedstrijd gehouden moet worden, antwoordt Jan resoluut: „Nee, ik vind het besluit van het bestuur juist. Het moet een tocht blijven!”