Piet Kleine: „Hoe je bent, dat blijf je ook. Ik was echt de man van de brede slag.”

Toppers van Toen: Piet Kleine had wel in de huidige schaatstijd willen ‘leven’

Piet Kleine: „Hoe je bent, dat blijf je ook. Ik was echt de man van de brede slag.” Gerrit Boer

Kerkenveld - In deze ‘sportluwe’ periode staan we wekelijks stil bij de ‘Toppers van Toen’. Het gaat daarbij om succesvolle, aansprekende en bekende sporters uit de regio Zuidwest-Drenthe en Noordwest-Overijssel. Hoe kijken ze terug op hun actieve sportcarrière? Vandaag deel 9: schaatser Piet Kleine uit Kerkenveld.

Je wordt dit jaar 70 jaar. Naast en na jouw sportieve carrière was je postbode. Een baan die je kreeg dankzij minister Harry van Doorn van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, zo luidt het verhaal. Wat doe je tegenwoordig?

„Of dat echt dankzij de minister was... ze zeggen het, hè. Ik zei na de Olympische Spelen van 1976 dat ik weleens zonder werk zat. Blijkbaar heeft de minister die opmerking gehoord en kon ik daarna als postbode aan de slag. Daar ben ik nu zo’n drie jaar geleden mee gestopt. Vervelen doe ik mij niet hoor. Geen dag. Ik tennis en fiets nog vrij veel. Als het écht slecht weer is, blijf ik thuis. Maar meestal zit ik wel een uurtje of twee op de fiets. Soms zelfs vier uur. Dat doe ik alleen, wanneer ik zin en tijd heb. Voor de rest doe ik wat klusjes rondom het huis. Er is altijd wel iets te doen.”

 

In hoeverre was je als klein jongetje al bezig met schaatsen, de snelste te zijn en Olympisch kampioen te worden?

„Zoals zo veel jochies ging ik voetballen. In mijn geval was dat bij HODO in Hollandscheveld, waar ik geboren ben. Maar ik kreeg last van mijn knie. Ik kreeg toen het advies om te gaan fietsen en schaatsen. Fietsen deed ik altijd al graag, maar als ik in die tijd geen last van mijn knie had gehad, was ik voetballer gebleven en had ik nooit geschaatst. Dat schaatsen ging mij op een gegeven moment wel bovengemiddeld goed af. In Hollandscheveld had je twee ijsverenigingen. Ik ben toen door de heer Schreurs uit Ruinerwold en Holwerda uit Steenwijksmoer voorgedragen voor de Drentse selectie. Toen werd het wel serieus, want het niveau lag hoger en het was allemaal een stuk sneller dan ik gewend was. Het ging echt met vallen en opstaan. Letterlijk.”

 

Ik las ergens: ‘Kleine genoot grote faam door zijn forse, zwierige slag die voor de liefhebbers een verrukking was om naar te kijken.’ Wat was je eigenlijk voor een schaatser, en ben je in de loop van de jaren een andere schaatser geworden?

„Ha, ha, wat een mooie zin, zeg. Maar het klopt wel. Ik was echt iemand van de grote en lange slag. Ook gebruikte ik veel ijs en schaatste ik een beetje in een s-vorm, zeg maar. Tegenwoordig schaatsen ze veel rechter, dat heeft natuurlijk alles te maken met de komst van de klapschaats. Ik geloof niet dat je echt een andere schaatser kunt worden. Hoe je bent, dat blijf je ook. Ik was echt de man van de brede slag. Hoogstens kun je je techniek wat bijschaven, maar meer ook niet.”

 

Het jaar 1976 was jouw absolute topjaar. Dat is maar liefst 45 jaar geleden. In dat jaar reed je vier keer een wereldrecord. Je won op de Olympische Spelen in Innsbruck goud op de 10 kilometer en werd in Heerenveen wereldkampioen allround. Je werd toen tweede op de 5 en won de 10 kilometer. Maar je werd ook tweede op de 1500 meter. Piet Kleine was toch alleen van de lange afstanden?

„Mijn 500 meter was op het WK in 1976, met een tijd van 40.2, voor mijn doen hartstikke goed. Ook had ik op de 1500 meter een goede dag en dan liep die afstand ook wel. Mijn probleem bij de kortere nummers was echter een soort verkramping, en ik moest echt op gang komen. Ik trainde juist in die tijd ook heel erg op die kortere afstanden en was daar veel mee bezig. Dat had juist een averechts effect. Dat zeggen ze toch weleens? Als je te veel aandacht geeft aan iets, dat het dan tégen je gaat werken? Nou, dat had ik dus ook met die trainingen op die afstanden. Ik stond verkrampt aan de start, terwijl ik juist ontspannen moet zijn. Dat werkte voor mij het beste.”

 

Mensen zien jou ook als de schaatser die tijdens de Elfstedentocht in 1997 in Hindeloopen vergat te stempelen. Twintig jaar later kreeg je die stempel alsnog en is jouw stempelkaart een museumstuk geworden. Hoe jammer is dat, dat juist dat steeds weer wordt opgerakeld?

„Ik zit er niet mee. Echt niet. Sportief gezien schaatste ik die dag een prima wedstrijd, want ik werd vijfde. In de auto, op de terugweg, hoorde ik dat ik was gediskwalificeerd. Het had wat mij betreft een positieve wending kunnen krijgen, als dat stempelen naar aanleiding van mijn incident afgeschaft zou worden. Dat is toch niet meer van deze tijd? Stempelen… Alsof voetballers ineens weer met een bal met een veter gaan spelen? Iedere keer als er iets speelt rond de Elfstedentocht, dan komt het weer naar voren. In Hindeloopen zijn ze er nogal druk mee en leeft het behoorlijk. Dat vind ik best. Als ik dan toch een stempel had moeten missen, dan maar daar.”

 

Na jouw mooie loopbaan als langebaanschaatser stopte je in 1981, stapte je op de fiets, om als marathonschaatser in 2001 definitief te stoppen. Hoe kom jij eigenlijk tot bepaalde keuzes?

„In mijn tijd had je maar weinig schaatswedstrijden en stond alles in het teken van het allroundschaatsen. Je had weliswaar Worldcups 5 en 10 kilometer – dat was machtig mooi – maar verder was er niet zo veel. Een NK, waar je bij de beste vier moest komen, anders mocht je niet naar een EK of WK en was je schaatsseizoen eigenlijk al verloren. Als er in die tijd echt specialistische afstanden waren geweest, was ik wel langer doorgegaan met schaatsen. Wat dat betreft heb ik te vroeg ‘geleefd’ en had ik wel in deze tijd willen schaatsen. Toen ik in 2001 stopte als marathonschaatser, reed ik nog bij de A-rijders. Ik was 49 jaar! Als ik dan zaterdagavond terugkwam van een wedstrijd, had ik echt een paar dagen hersteltijd nodig, terwijl andere schaatsers alweer trainden.”

 

Tot slot, tevreden over wat je allemaal in je sportcarrière gestopt én eruit gehaald hebt?

„Achteraf komt de wijsheid, zeggen ze weleens. Natuurlijk zijn er wel dingen die ik anders had kunnen doen. In 1980, op de 10 kilometer op de Olympische Spelen in Lake Placid, werd ik tweede achter Eric Heiden. Zilver dus. Ik ging in de wedstrijd zó kapot en dacht na een kilometer of zes van ‘ik ga de finish niet halen’. Het lukte mij eerst nog redelijk om op gelijke hoogte met hem te komen, maar toen kwam de man met de hamer en werd ik tweede. Ik was er op dat moment content mee, maar nu denk ik weleens van: had ik mijn race maar beter ingedeeld. Dan was ik misschien net wat sneller geweest.”