Jennie Zoer met Destiny in actie, tijdens het jachtspringen op de Wereldruiterspelen.

Toppers van Toen: amazone Jennie Zoer verlangt nog weleens terug naar vroegere tijden

Jennie Zoer met Destiny in actie, tijdens het jachtspringen op de Wereldruiterspelen. ANP

Echten/Emmen - In deze ‘sportluwe’ periode staan we wekelijks stil bij de ‘Toppers van Toen’. Het gaat daarbij om succesvolle, aansprekende en bekende sporters uit de regio Zuidwest-Drenthe en Noordwest-Overijssel. Hoe kijken ze terug op hun actieve sportcarrière? Vandaag deel 8: amazone Jennie Zoer (50) uit Echten.

Wat doe je tegenwoordig, nu je bent gestopt? Ben je nog actief in de paardensportwereld?

„Ik heb inmiddels al ruim twee jaar niet meer gereden. Dat had een aantal redenen. Allereerst had ik er de paarden niet meer voor om op niveau te rijden. Ook speelt een knieblessure mij parten, waardoor ik ook niet echt meer kan rijden. En om eerlijk te zijn: ik had het ook allemaal wel een beetje gezien, ik was overal geweest. Ik ben nog wel actief in het wereldje hoor. Samen met mijn vriend Henk heb ik stal Hidding/Zoer in Emmen. Wat we doen, is vooral het zadelmak maken van jonge paarden. Mijn dochter Jennifer is ook actief in het paardenwereldje. Ze rijdt nu nog twee pony’s, maar binnenkort gaat ze over op paard. Ik begeleid haar en ga mee naar wedstrijden. Ik heb ook nog een zoon, maar hij is op andere vlakken actief.”

 

Zelf was je heel jong toen je begon. Op vierjarige leeftijd zat je al op een pony en toen je zeven jaar was, nam je al deel aan concoursen. ‘Jennie zat vaker op de rug van een paard dan in de schoolbanken’, las ik ergens. Was het zo vanzelfsprekend dat je ging paardrijden?

„Ha, ha, ja, dat klopt wel. Ik was altijd aan het paardrijden. Van huis uit ben ik ermee opgegroeid. Mijn vader was paardenhandelaar. We hadden stal Zoer in Echten en mijn broertje Albert en zusje Gina waren er ook actief in. Het is mij echt met de paplepel ingegoten. Ik vond het ponyrijden daarnaast gewoon erg leuk om te doen. Het was ook een veel leukere tijd, met veel meer gezelligheid dan nu. Dat heb ik altijd wel belangrijk gevonden. Ik weet nog dat ik lid was van ponyclub De Bosruiters uit Koekange. We waren vaak met z’n achten en als we dan springwedstrijden hadden, gingen we er met een busje naartoe. Tussen de middag aten we dan soep met z’n allen. Het was allemaal veel gezelliger dan tegenwoordig. Iedereen komt aan, rijdt z’n rondje en gaat daarna weer weg. Echt, heel anders.”

 

Wanneer kreeg je het idee dat je goed was in je sport? Was dat toen je als dertienjarige brons op het EK bij de pony’s won? Of toen je in 1990 debuteerde op de wereldkampioenschappen in Stockholm, met een dertiende plek? Kortom: heeft dat te maken met het winnen van wedstrijden en dus prijzen?

„Als klein meisje maakte het winnen van een prijs mij trots. Maar ik was ook altijd bezig met beter worden. Die wil had ik. Dat betekende in mijn geval meer lessen nemen van een instructeur, omdat je verder wilt in je ontwikkeling. Ik was nooit echt tevreden. Natuurlijk heeft het ook te maken met het winnen van prijzen, maar ik weet nog een keer dat ik de Grote Prijs van Den Bosch reed en zesde werd. Daar was ik toch heel tevreden over, omdat ik er alles had uitgehaald wat erin zat. De dagen ervoor lukte het helemaal niet namelijk. Maar op die zondag ging het uiteindelijk wel goed. Meer was op dat moment niet mogelijk, dus kon ik er wel vrede mee hebben.”

 

Je prijslijst bevat onder meer vijfde plaatsen op de European Classic in Zürich, de Grote Prijs Donau/Hessingen en de Grote Prijs Linz, een derde plaats bij de Wereldbeker Amsterdam, een vierde plaats bij de Wereldbeker Olympia in Engeland en winnaar van de Grote Prijs Pavarotti in San Remo. Welke eindrangschikking is jou het meest bijgebleven?

„Toch wel die Grote Prijs Pavarotti in San Remo, in 1992. Dat was een heel grote wedstrijd, van drie sterren. Dat was toen nog zo. Dan rijd je ook met je beste paarden. Ik reed daar met Wendela, die vrij snel daarna werd verkocht. Vroeger had je veel minder internationale wedstrijden, meestal maar twee keer in de maand. Dan kon je ook wat gemakkelijker wisselen. Nu is dat veel vaker. Bij één ster rijd je met paarden in opbouw, bij twee sterren wissel je wat af. En de Olympische Spelen in Barcelona waren uiteraard ook heel bijzonder (Jennie Zoer was de allereerste vrouw ooit in het Nederlands springteam, red.). Ik mocht daar naartoe als reserve en ben uiteindelijk niet in actie gekomen. Maar het olympisch dorp… Dat was zo groot, met al die sporters. Een heel bijzonder evenement. Ja, dat is mij wel bijgebleven.”

 

Je paarden luisterden naar de fraaie namen Wendela, Destiny en Cordilio. Wat kun je zeggen over wanneer en hoe je weet of een paard geschikt is, of kan uitgroeien tot je favoriet?

„Dat is heel erg een gevoel dat je hebt en het heeft ook wel te maken met ervaring, die je in de loop van de jaren opdoet. Het gaat om de band die je krijgt met een paard. Dat gevoel heb je al vrij snel, of het klikt of niet. Vervolgens gaat het erom wat je wilt bereiken met z’n tweeën. Daar vecht je als het ware voor, maar het is best moeilijk om na te gaan of een paard goed wordt. Destiny en Cordillio waren weer heel andere paarden dan Wendela, die durfden eigenlijk overal wel overheen. Zeker Destiny. Ik had ook geen favoriet paard. Eigenlijk is de Z-klasse wel een soort meetpunt. Dan weet je vaak wel of er meer in zit of niet.”

 

Tot slot. In de NRC in 1990 werd je omschreven als ‘het wonderkind te paard’. Hoe tevreden ben je, en heb je alles uit je carrière gehaald?

„Ik ben zelf wel tevreden met wat ik heb bereikt, met wat heb ik allemaal heb kunnen rijden, maar ook met wat ik heb mógen rijden. Dus ja, ik heb echt wel alles uitgehaald wat erin zat.”

 

Erik Riemens