Nico Buiten: „DOS'46 heeft altijd al een goede jeugdopleiding gehad.”

Toppers van Toen: echte 'Dosser' Nico Buiten uit Nijeveen is korfbalsport dankbaar

Nico Buiten: „DOS'46 heeft altijd al een goede jeugdopleiding gehad.” Frens Jansen

Nijeveen - In deze ‘sportluwe’ periode staan we wekelijks stil bij de ‘Toppers van Toen’. Het gaat daarbij om succesvolle, aansprekende en bekende sporters uit de regio Zuidwest-Drenthe en Noordwest-Overijssel. Hoe kijken ze terug op hun actieve sportcarrière? Vandaag deel 11: korfballer Nico Buiten (60).

Je bent veertig jaar trainer geweest: van hoog tot laag, en van de senioren tot de jongste jeugd. Ook was je uiteraard speler van het eerste team van DOS’46. Hoe begon het korfballen allemaal voor jou?

„Ik ben in 1968 lid geworden van DOS’46. Toen had je alleen nog een korfbalvereniging in Nijeveen, want een jaar later werd de voetbalclub SVN’69 opgericht. Ook mijn zus korfbalde, dus het was allemaal best logisch dat ik die sport ook ging doen. Ik heb het mezelf min of meer aangeleerd. We woonden in een boerderij en daar had ik binnen een korf neergezet. Ik oefende heel vaak en dan schoot ik via de muur. Toen ik een jaar of tien, elf was, kreeg ik wel het idee dat ik het redelijk kon. Bovendien was ik enthousiast gemaakt door mijn toenmalige trainer, Albert Lucas. Uiteindelijk heb ik van 1979 tot 1993 in het eerste gespeeld van DOS’46 en daarnaast het Nederlands junioren- en jeugdteam gehaald, maar het grote Oranje nét niet. Ik was een schutter, een echte. Het werd toen nog niet bijgehouden, maar ik weet bijna zeker dat ik wel een keer topscorer van Nederland ben geweest. Maar ik was geen allrounder en moest het niet hebben van mijn rebound. Tegenwoordig heb je veel meer specialisten en dat is ook logisch, want de korfbalsport evolueert. Eigenlijk heb ik een beetje in de verkeerde korfbaltijd geleefd.”

 

Je wist de korf dus gemakkelijk te vinden en hebt met DOS’46 veel successen gekend. Wat is jou het meest bijgebleven?

„DOS’46 heeft altijd al een goede jeugdopleiding gehad. In de jaren zeventig werden we vier keer Nederlands kampioen en in 1982 behaalden we met het eerste team de Nederlandse titel in de zaal en op het veld, en werden we Europees kampioen. Alleen moet je zo’n Europese titel in het korfbal altijd een beetje relativeren, vind ik. Mijn eerste titel in 1977 was wel heel speciaal. Ik was een jongen van 17 jaar en dan speel je zo’n toernooi ook echt met je vrienden en vriendinnen, met wie ik nu nog steeds contact heb. Zo’n eerste keer is heel bijzonder. En wat mij ook is bijgebleven, is de komst van sporthal De Eendracht in 1980. Dat werd echt ónze hal, die steeds bomvol zat. Dat gaf ons een enorme boost . Sinds die tijd werden we pas serieus genomen door ploegen uit het westen van het land. We speelden wedstrijden in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Daar waren de tribunes lang niet altijd vol. Bij ons dus wél. Het mooie vind ik ook dat in mijn tijd de Grifte-side, de fanatieke supportersschare, werd opgericht door vrienden van mij. Korfbal heeft mij wat dat betreft heel veel gebracht. Ik heb mijn vrouw er door leren kennen en er heel veel vrienden aan overgehouden. Ik heb heel veel te danken aan het korfbal en dus aan DOS’46. Het heeft mijn leven behoorlijk beïnvloed.”

 

In 1993 stopte je en ging je verder met het trainen. Als speler en trainer bleef je DOS’46 altijd trouw. Waarom eigenlijk?

„Ik was 32 jaar toen ik stopte met spelen. Ik was wel een beetje klaar met dat reizen. We gingen het gehele land door en ook in mijn studententijd – ik studeerde in Groningen – ging ik minimaal drie keer in de week terug naar Nijeveen om te korfballen. Het trainerschap heeft mij altijd aangetrokken, maar dat moest ik vervolgens nog wel zélf ervaren. Ik merkte al snel dat ik meer een opleider was dan een topcoach, bij bijvoorbeeld een eerste team. Op zo’n moment moet je ook gewoon eerlijk zijn tegen jezelf. Zo ben ik nog steeds docent bij de korfbalbond. Als je topcoach wilt zijn, krijg je te maken met spanning in de top, de pers en de druk die dat allemaal met zich meebrengt. Je hebt je werk en je korfbal. Daar moet je dan vol voor gaan. Meer is er niet. Dat hoeft allemaal niet voor mij. Ik wilde niet die oogkleppen op en juist ook andere dingen doen. Ik heb in de loop der jaren best weleens aanbiedingen gehad van andere clubs, maar ik ben altijd bij DOS’46 gebleven. Dat heeft ook te maken met hoe de vereniging in elkaar steekt. Hier is nog gemeenschapszin. Vorig jaar was er veel onrust (trainer Pascal Zegwaard en voorzitter Frank Meulenkamp stapten op, red.) en dat heeft alleen maar verliezers gekend, maar toch zie je dan dat de club de rug recht en dat er mensen opstaan die de schouders eronder zetten. Positief weer verdergaan en niet met modder gooien. Ja, dat spreekt mij wel aan.”

 

Cabaret spreekt je ook heel erg aan. Je bent lid van Wakker Nijeveen. Hoe dat zo?

„Ik ben geboren en getogen in Nijeveen, en een echte dorpsman. Ik heb wel iets met cabaret en schreef altijd al revues. Ook heb ik voor DOS’46 tijdens de jubileumactiviteiten op de planken gestaan. Die creativiteit en het bedenken van wat gekkigheid trekken mij heel erg aan. In 2005 begon het en hadden we met Wakker Nijeveen vijf uitvoeringen, waarop heel veel mensen afkwamen. Ja, ik mag graag op de bühne staan, maar ben ook iemand die niet heel lang hetzelfde doet. Ik ben een druk baasje en heb een brede interesse. Ik ben dan weliswaar veertig jaar trainer geweest, maar wel steeds in heel verschillende functies en vooral bij de jeugd. Ik zeg nooit nooit. Nu vind ik het wel handig om af en toe ergens in te vallen, maar het kan zomaar zijn dat ik weer een keer een jeugdteam ga trainen. Dat fanatisme dat ik heb, kan ik op de een of andere manier toch niet wegstoppen.”