Alsnog struikelsteen voor joodse studente Martha Culp uit Steenwijk

Voor de joodse muziekpedagoge Martha Culp uit Steenwijk, die op 31 oktober 1944 in Auschwitz door uitputting stierf, wordt morgen een Stolperstein gelegd voor haar ouderlijk huis aan de Noordersingel 12 in Steenwijk.

Martha met haar moeder Emma en haar broer Wolf.

Martha met haar moeder Emma en haar broer Wolf. Eigen foto

Deze zogeheten struikelsteen komt dan te liggen bij de twee stenen met daarop de namen van Abraham Reindorp en Emma Reindorp-Stokvis. Martha was Emma’s dochter uit haar eerdere huwelijk met Herman Culp.

Tekst gaat onder foto verder

Harma Prinsen-de Vroome, bestuurslid van de stichting Stolpersteine Steenwijk, heeft al langer gepleit en geijverd voor een struikelsteen van Martha Culp. „De bedoeling was om het eerder te doen, maar het was er steeds niet van gekomen. Ik vind dat Martha ook een steen moet hebben, zij was per slot van rekening een Joodse Steenwijkse die hier is opgegroeid en die pas later als studente elders op kamers is gaan wonen.”

Na het leggen van de steen zal Harma Prinsen in gebouw De Klincke een lezing houden over het bewogen leven van Martha Culp, die in 1907 in Steenwijk werd geboren. Martha was, zoals gesteld, de dochter van Herman Culp en Emma Stokvis. Emma (geboren op 29 juni 1879 in Tilburg) was opgeleid tot onderwijs en stond aan verschillende scholen in Steenwijk en omgeving. Emma’s vader was Wolf Stokvis, die van 1885-1929 voorganger en godsdienstleraar was van de Ned. Isr. Gemeente in Steenwijk. Herman Culp was vertegenwoordiger, hij had ook een sigarenwinkel, hij gaf ansichtkaarten uit en hij was voorzitter van de Oranjevereniging. Martha was het oudste kind. In 1908 kreeg ze een broertje, Wolf.

Tekst gaat onder foto verder


Muzikaal

Martha was erg muzikaal, ze speelde piano en accordeon. Zij gaf pianolessen en zij begeleidde de danslessen van dansleraar Jan de Vos op de piano. Haar vader Herman overleed in 1906. Later hertrouwde Emma met Abraham Reindorp. Ze lieten een woning bouwen aan de Noordersingel in Steenwijk. Daar woonden ze niet alleen met de kinderen van Emma maar ook Emma’s vader trok bij hen in.

Tekst gaat onder foto verder

Vanaf 1 maart 1938 werkte Martha als muziektherapeut in het Apeldoornsche Bosch, het Joods Psychiatrisch Ziekenhuis op het Pedagogium Achisomog, dat was een internaat voor zwakzinnige en moeilijk opvoedbare kinderen. In 1938 telde dit internaat 74 patiënten. In de nacht van 21 op 22 januari 1943 werd het Apeldoornsche Bosch ontruimd, ook het pedagogisch internaat. Martha was daar niet bij. Ze dook aan de vooravond van de ontruiming onder, maar ze werd alsnog opgepakt op een onderduikadres in Aalst (NB).

Laatste transport

Ze kwam op 3 mei 1944 aan in Westerbork en in strafbarak 67 geplaatst. Vandaar ging ze 3 september op transport naar Auschwitz, waar ze op 31 oktober 1944 door uitputting stierf. Het was het laatste transport vanuit Westerbork naar het vernietigingskamp in Polen.

‘Als ik Hitler maar kon overleven’

In Auschwitz ontmoette Martha een achternicht: Anita Mayer, die haar ervaringen als een van de vrouwelijke tewerkgestelden beschreef in het boek ‘Als ik Hitler maar kan overleven’. Anita schreef over Martha: „We praatten wat over onze families, maar het was niet de plaats, noch de tijd voor zulke herinneringen. Toch had ik iemand gevonden die familie van me was, een achternicht. Ze was klein en tenger; ze zei tegen me dat ze dacht niet lang meer te zullen leven, zelfs niet een paar weken.’‘ Toen we van onze tweede tocht naar de douches terugkwamen, liep ze naar me toe om te zeggen, dat ze dacht dat haar tijd gekomen was. Ze wilde in een rij naast mij staan gedurende het appel voor het geval ze zou sterven, nadat het brood uitgedeeld was. Ze wilde dat ik haar portie kreeg, voor iemand anders de kans kreeg om het te stelen. Ik probeerde haar te verzekeren dat ze nog niet zou sterven, maar ze leek erg zwak. Een paar minuten nadat ze haar brood had gekregen, viel ze dood neer. Dat ik niet in staat was me over haar te buigen om ook maar enige blijk van menselijke deernis te geven, was onverdraaglijk, maar ik kon onmogelijk bewegen. De nazi’s waren niet tevreden. Gedurende het appèl schoten de SS’ers tussen de rijen vrouwen door, roepend dat ze zeker wilden weten of de rijen volkomen recht waren. We moesten onze lichamen naar voren en naar achteren manoeuvreren om niet door een van de langs schietende kogels geraakt te worden. Na het appèl werden de lichamen van hen die gestorven waren op een kar geladen en weggebracht.”